Kopernikus

EEN MYSTIEK SPROOKJE


VOCAALLAB is een artistiek partner in het talentontwikkelingsprogramma van De Nederlandse Opera. In seizoen 2013-2014 wordt daarvoor de mystieke, droomachtige opera Kopernikus van Claude Vivier op de planken gebracht met een internationale jonge cast.

Voor meer informatie klik hier.

Kopernikus /DNO in cooperation with Silbersee

Team:
libretto: Claude Vivier
muzikale leiding :  Romain Bischoff
regie:  Marcel Sijm
bewegingscoach :  Miguel Angel Gaspar
set design :  Sarah Nixon, Janne Sterke
licht :  Calle de Hoog
kostuums :  Esmee Thomassen

Cast:

coloratuursopraan :  Katharine Dain
sopraan:  Eléonore Lemaire
mezzosopraan :  Aurélie Franck
alt :  Marine Fribourg
bariton martin :  Jussie Lehtipuu
bariton :  Jon Stainsby
basso profundo :  Maciej Straburzynski
spreker :  Claudia Veltman
viool :  Isa Goldschmeding
hobo :  Arthur Klaassens
klarinet :  Jasper Grijpink, Daniel Boeke
basklarinet :  Thomasz Zymla
trompet :  Willemien van der Stelt
trombone :  Adriaan van der Louw

Orkest:

Nederlands Orkest- en Ensemble Academie (NJO) onder leiding van Romain Bischoff

TOURDATA

15 april 2014

16 april 2014

18 april 2014

19 april 2014

Muziek van Nu

Gezien die hoge mate van mystieke abstractie is Kopernikus een gewaagde keuze voor een club jong muziektalent. […] Niettemin wisten de jonge musici onder Bisschofs leiding te overtuigen, daar veranderden een gortdroge akoestiek en zoemende airco niets aan. Viviers muziek is als een auditieve regenboog: veelkleurig maar altijd opgehangen aan een uniforme melodische lijn. Dat dubbelzinnige karakter vraagt om een haarscherpe balans tussen individu en collectief; tussen ingenieuze timbrefratsen (orgelende boventoonzang, fluitaureooltjes, hand-voor-de-mond-effecten, vreemde mixturen van klarinetten en viool) en een geest van eensgezindheid die als een gemeenschappelijke adem door de partituur trekt. Alleen dan krijgen Viviers noten die vreemde extatische gloed, die de luisteraar op de maat van een gonzende gong en subtiel aangewreven klankschalen een centimeter of wat boven de grond laat zweven.

Hoe het hiernamaals eruitziet? Bij De Nederlandse Opera gokt men op wit. Hagelwit. In samenwerking met VOCAALLAB en de Nederlandse Orkest- en Ensemble-Academie presenteerde de talentklas van het operagezelschap deze week haar eerste productie. In de Boekmanzaal van Het Muziektheater (voor de gelegenheid van top tot teen verpakt in wit folie) zetten zeven zangers, evenveel instrumentalisten en een jong meisje zich aan een raadselachtig rituel de mort. Zo luidt althans de ondertitel van Claude Viviers opera Kopernikus (1979) die op Romain Bisschofs lessenaar lag.
De Canadese componist die een blauwe maandag sonologie studeerde in Utrecht en daarna
bij Stockhausen in de leer ging, koesterde een griezelige obsessie voor de dood. In het bijzonder voor zijn eigen einde. Exemplarisch is een passage uit Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele, waarin een
anonieme ik-figuur nauwkeurig beschrijft hoe zijn moordenaar hem een dolk door het hart drijft. Ronduit luguber: het was de laatste scene die Vivier ooit op papier zou zetten. Korte tijd later werd hij in zijn Parijse appartement doodgestoken door een van zijn vele vluchtige minnaars.
Zo werd Claude Vivier in de nacht van 7 maart 1983 zelf tot een soort Agni, het jonge kind dat in Kopernikus aan gene zijde verzeild is geraakt. Ze wordt er vergezeld door een legertje pelgrims van het tijdloze die haar op rituele klanken en imaginaire teksten (veel Ka re nou ye ze na) naar een plek van liefde en kosmische harmonie begeleiden. Tussendoor komt de geest van tovenaar Merlijn even buurten (Da gr da prr liou?), roemt de ziel van Mozart de muziek van Orion, hoort men de onsterfelijke geliefden Tristan en Isolde bitterzoet weeklagen en raaskalt de Mayaanse Heer der Wateren over alle ooit gedachte filosofieen.
Kom bij Vivier niet om een helder verhaal. Als componist die het als zijn uitdrukkelijke taak zag om de geheimen van het universum bloot te leggen, had hij niet genoeg aan een gewiekste plot. In zijn wonderlijke muziektheater legt een logische dramaturgie het per definitie af tegen de bezwerende kracht van de rite en de oneindige verbeelding van de droom.
Gezien die hoge mate van mystieke abstractie is Kopernikus een gewaagde keuze voor een club jong muziektalent. Temeer daar het Nederlandse publiek nogal verwend is waar het de muziek van Vivier betreft. Daar hebben Reinbert de Leeuw en Pierre Audi wel voor gezorgd met hun wonderschone Vivier-monument Reves dun Marco Polo.
Niettemin wisten de jonge musici onder Bisschofs leiding te overtuigen, daar veranderden een gortdroge akoestiek en zoemende airco niets aan. Viviers muziek is als een auditieve regenboog: veelkleurig maar altijd opgehangen aan een uniforme melodische lijn. Dat dubbelzinnige karakter vraagt om een haarscherpe balans tussen individu en collectief; tussen ingenieuze timbrefratsen (orgelende boventoonzang, fluitaureooltjes, hand-voor-de-mond-effecten, vreemde mixturen van klarinetten en viool) en een geest van eensgezindheid die als een gemeenschappelijke adem door de partituur trekt. Alleen dan krijgen Viviers noten die vreemde extatische gloed, die de luisteraar op de maat van een gonzende gong en subtiel aangewreven klankschalen een centimeter of wat boven de grond laat zweven.
Kopernikus is nog te zien op 18 en 19 april om 20:00 uur in de Boekmanzaal van het Muziektheater in Amsterdam.
Joep Christenhusz

Theaterkrant.nl ****

Het is verbluffend hoe ogenschijnlijk moeiteloos de jonge solisten en instrumentalisten gestuurd door Romain Bischoff de complexe en ongebruikelijke klanken van Vivier tot leven brengen. Er wordt gezongen met wapperende hand voor de mond of door de trombone. Bewegingscoach Miguel Angel Gaspar weet bovendien zelfs aan de meest onbegrijpelijke passages een emotionele diepgang mee te geven. Geen plot. Een verzonnen taal. En toch de met moeite ingehouden snik bij het publiek. Vivier blijft een magier.

Verbluffende Vivier-uitvoering van operatalenten
Het begint met Alice in wonderland en eindigt met Kopernikus. In de tussenliggende zeventig minuten passeert een bonte stoet geesten: Merlijn, Mozart, Bach, Tristan, Isolde en Einstein – om er maar een paar te noemen. Ze worden opgeroepen door de pelgrims van het tijdloze, die deels in een verzonnen taal Agni begeleiden naar een volgende wereld.
Nee, niets aan Claude Viviers rituel de mort is doorsnee opera. Uitvoeringen van de Canadese componist die in 1983 in Parijs werd vermoord en precies die moord tot in detail voorspelde in zijn laatste werk zijn schaars. Toegankelijk is zijn muziek evenmin. Des te opmerkelijk dat De Nationale Opera juist dit mystieke sprookje verkiest om het nieuwe talentontwikkelingsprogramma aan het publiek te presenteren. Dat gebeurt in samenwerking met Vocaallab en de Nederlandse Orkest- en Ensemble Academie (NJO). Niet in de grote zaal van het Muziektheater, maar in de Boekmanzaal, voor de gelegenheid in wit landbouwplastic ingepakt. Een ongelukkige keuze, want de toch al lastige akoestiek van wat feitelijk een vergaderzaal van het Amsterdamse stadhuis is, wordt er niet beter door.
Het publiek wordt in kleine groepjes door een sluis tot de zaal toegelaten, waardoor de binnenkomst als vanzelf iets theatraals krijgt. Maar dan zonder de impact die het binnenstappen van de vervallen Gashouder in 2000 had, toen Pierre Audi samen met Reinbert de Leeuw Kopernikus presenteerde. De Leeuw is op zijn beurt weer oprichter van NJO, terwijl een deel van de huidige ensembleleden al als remplaçant optreedt bij het ASKO Schonberg. Wanneer regisseur Marcel Sijm vervolgens ook nog eens een cruciaal element uit Audis enscenering overneemt – de musici zijn geintegreerd in de handeling en moeten daardoor alle hondsmoeilijke partijen uit het hoofd spelen – blijkt deze talentproductie eerder een variant op de Gashouderproductie.
Een geslaagde variant, dat wel. Want het is verbluffend hoe ogenschijnlijk moeiteloos de jonge solisten en instrumentalisten gestuurd door Romain Bischoff de complexe en ongebruikelijke klanken van Vivier tot leven brengen. Er wordt gezongen met wapperende hand voor de mond of door de trombone. En vind maar eens een korte opera waarin zeven verschillende stemtypen en zeven instrumentalisten allemaal een gelijke rol spelen, waardoor er in de woorden van De Leeuw een adem door het stuk gaat. Bewegingscoach Miguel Angel Gaspar weet bovendien zelfs aan de meest onbegrijpelijke passages een emotionele diepgang mee te geven.
Allen moeten het echter afleggen tegen de dertienjarige Claudia Veltman. Als Agni is zij ronduit hartverscheurend als zij Mozart in het Nederlands toeroept: Meneer Mozart, meneer Mozart, luistert u eens, is het waar dat aan de andere kant de bomen met elkaar praten, dat de bloemen zulke prachtige muziek maken dat zelfs de Goden ervan gaan huilen? Vertel me toch, is dat alles echt waar?
Geen plot. Een verzonnen taal. En toch de met moeite ingehouden snik bij het publiek. Vivier blijft een magier.
Henri Drost
Foto: Hans van den Bogaard

Het Parool ****

De prestaties van de zeven jonge zangers en zeven jonge instrumentalisten, die in Kopernikus een volkomen gelijkwaardige rol hebben, waren gisteravond bij de premièrevoorstelling in de Boekmanzaal ronduit indrukwekkend. Ze zongen en speelden alles uit het hoofd en dan voorzag het scenisch concept van Marcel Sijm ook nog in een uitgekiende choreografie. Ze kunnen hier niet genoeg voor worden geprezen, want Viviers klankwereld stelt de hoogste eisen aan harmonische en ritmische eensgezindheid en net als bij Mozart is er niets om je muzikaal achter te verschuilen.

Het tweeluik Rêves d'un Marco Polo van de jong gestorven Canadese componist Claude Vivier (hij werd op zijn 35ste in Parijs vermoord) is wellicht hét hoogtepunt uit de 25 jaren waarin Pierre Audi nu de artistieke scepter zwaait bij wat tegenwoordig De Nationale Opera heet.
Rêves d'un Marco Polo bestond uit twee soirées. Op de eerste avond werd Viviers enige opera Kopernikus opgevoerd, op de tweede een geënsceneerde suite van zes hoogst indrukwekkende stukken, onder de overkoepelende titel Marco Polo. Het idee was van Audi, de uitvoering was van het Asko Ensemble en het Schönberg Ensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw en het resultaat was van een onthutsende en betoverende pracht. De productie was in 2000 en 2004 te zien in de Gashouder, er werd een dvd van gemaakt en er werd vooral veel en bewonderend over geschreven en gesproken.
Een uniek en onherhaalbaar hoogtepunt in de Nederlandse operageschiedenis, zou je zeggen. Maar daar dachten ze bij DNO anders over. Onder het motto 'we leggen de lat zo hoog mogelijk' kozen ze samen met Muziektheaterhuis Vocaallab juist Kopernikus als eerste productie voor de nieuwe afdeling Talentontwikkeling, waar jonge zangers en instrumentalisten werken aan de toekomst. Dirigent en oprichter van Vocaallab Romain Bischoff heeft altijd de nadruk gelegd op de werken van hedendaagse componisten, omdat 'die dezelfde toewijding verdienen als het bekende repertoire'.
De prestaties van de zeven jonge zangers en zeven jonge instrumentalisten, die in Kopernikus een volkomen gelijkwaardige rol hebben, waren gisteravond bij de premièrevoorstelling in de Boekmanzaal ronduit indrukwekkend. Ze zongen en speelden alles uit het hoofd en dan voorzag het scenisch concept van Marcel Sijm ook nog in een uitgekiende choreografie. Ze kunnen hier niet genoeg voor worden geprezen, want Viviers klankwereld stelt de hoogste eisen aan harmonische en ritmische eensgezindheid en net als bij Mozart is er niets om je muzikaal achter te verschuilen.
Marcel Sijm had de Boekmanzaal geheel wit gemaakt en met plastic laten bedekken, wat voor een wat plakkerige atmosfeer zorgde, maar ook voor een onthechtheid die geheel in lijn was met de abstracte, associatieve, hallucinatoire droomtoestand die Vivier in Kopernikus oproept.
In dromen kan het gedroomde altijd van alles betekenen en zo ook hier, al geeft enige kennis van Viviers biografie via Kopernikus een concreet inkijkje in een gewonde wereld, waaraan de componist wilde ontsnappen door de geest te laten waaien. Hij bedacht een fantasietaal en combineerde die in Kopernikus met gesproken en gezongen teksten waarin alles wat hem fascineerde uit de muziek, de literatuur en de wereldgodsdiensten de revue passeert.
Zo schiep hij een onvervreemdbaar persoonlijke, morose mythologie, hier rond de figuur Agni (Vivier zelf uiteraard), die tracht te ontsnappen aan een purgatorium. In de opera lukt dat, laat regisseur Marcel Sijm ons zien. In het echte leven lukte Vivier dat niet.
De muziek is soms zonder meer gedateerd, maar op de beste momenten klinkt er een tijdloos idioom dat alleen van Vivier is en van niemand anders. Een groter compliment kun je een componist niet maken.
Erik Voermans

NRC Handelsblad ****

Gewaagd is de keuze van artistiek leider Romain Bischoff om Kopernikus de eerste productie te maken van een nieuw talenttraject dat wordt gecoordineerd door de Nationale Opera. Samen met een bewegingscoach kneedde regisseur Marcel Sijm de deelnemers tot een inkrimpende en uitdijende massa, steeds reagerend op de flow van de muziek. De jonge leeftijd draagt bij aan de sfeer van een initiatie. Hoewel de theatrale spanning soms inzakt, behouden de veertien musici de grip op deze hallucinante materie. De lat voor komende talentprojecten is hoog gelegd.

Alsof je in de maag van een walvis zit opgesloten. Die licht onaangename sensatie bekruipt bezoekers van Claude Viviers onnavolgbare muziektheater Kopernikus. In de Boekmanzaal van het Stadhuis Amsterdam is een binnenruimte uit wit plastic opgetrokken – een nog radicalere variant werd door de brandweer afgeschoten.
Het is een gepast decor voor Kopernikus (1980), dat zich in een wachtruimte voor de hemel lijkt af te spelen. Hier wordt Agni (afwisselend door een jongen of meisje gespeeld) verwelkomd door zeven zangers en zeven instrumentalisten, gehuld in engelachtige gewaden van wit en pastelkleur. Een door tamtam-slagen gemarkeerd ritueel van muzikale en fysieke gebaren volgt, waarna Agni de ruimte verlaat en de engelgedaanten hun passieve startpositie weer innemen.
Gewaagd is de keuze van artistiek leider Romain Bischoff om Kopernikus de eerste productie te maken van een nieuw talenttraject dat wordt gecoordineerd door de Nationale Opera. De jonggestorven Canadees Vivier bouwde een uitdagende abstracte puzzel van ruim een uur, grotendeels gestut op een virtuoze fantasietaal. Met boeddhistische bastonen en mild gedrogeerde harmonieen a la Messiaen voelt Kopernikus soms als een seance uit de jaren zeventig.
Samen met een bewegingscoach kneedde regisseur Marcel Sijm de deelnemers tot een inkrimpende en uitdijende massa, steeds reagerend op de flow van de muziek. De jonge leeftijd draagt bij aan de sfeer van een initiatie. Hoewel de theatrale spanning soms inzakt, behouden de veertien musici de grip op deze hallucinante materie. De lat voor komende talentprojecten is hoog gelegd.
Floris Don